Gouverneur van den Brandeler

Generaal-majoor der Infanterie Jhr. L.C. van den Brandeler
Gouverneur der KMA van 1905 - 1911.

 Gouverneur Brandeler

 

Voorganger
F.H.A. Sabron
Overzicht Gouverneurs Opvolger
H. Kemper

 

Jhr. Louis Christiaan van den Brandeler werd op 24 juni 1855 te Haarlem geboren en trad op 1 september 1873 in militaire dienst als cadet op de Kon. Mil. Academie. Hij volgde aanvankelijk de opleiding bij het wapen der artillerie, ging echter over naar het wapen der infanterie en werd op 5 juli 1876 benoemd tot 2e Luitenant der Infanterie en geplaatst bij het 1e Bataljon van het 7e Regiment Infanterie.
In 1878 werd hij overgeplaatst naar Kampen, waar hij van 1878-1881 leraar was bij het instructie-bataljon (Hoofdcursus) te Kampen.
Op 31 maart 1881 werd hij bevorderd tot 1e Luitenant en vanaf 1 november 1881 gedetacheerd bij de 2e Afdeling van de Krijgsschool voor officieren te 's-Gravenhage, voor het volgen van de cursus voor algemene krijgskundige studiën. Hij sloot zijn studie op succesvolle wijze af in 1883 en werd daarna tot november 1884 gedetacheerd bij het 2e Regiment Veldartillerie. Daarna was hij tot 1886 werkzaam onder de bevelen van de Chef van de Generale Staf.
In dit jaar werd hij ingedeeld bij het 1e Bataljon van het 5e Regiment Infanterie   Voor korte tijd weliswaar, want in 1886 werd hij te werk gesteld onder de bevelen van de Commandant der Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Op 20 februari 1893 werd hij bevorderd tot Kapitein van de Generale Staf maar bleef werkzaam onder de bevelen van de Commandant der Nieuwe Hollandse Waterlinie, nu echter als adjunct van de Staf.
Van november 1895 tot november 1900 was hij belast met de directie van de Militaire Verkenningen, waarvoor hij bij het einde van zijn werkzaamheden een bijzondere tevredenheidsbetuiging mocht ontvangen van de Minister van Oorlog.
In het jaar 1901 diende Kapitein van den Brandeler bij het 2e Bataljon van het Regiment Grenadiers en Jagers te 's-Gravenhage maar hij werd tegen het einde van dit jaar belast met het commando over een bataljon van het 2e Regiment Infanterie. Op 22 maart 1902 werd hij bevorderd tot Majoor en in die rang werd hij op 1 mei 1902 weer overgeplaatst naar het 4e Regiment Infanterie en vandaar naar het Regiment Grenadiers en Jagers.
Met ingang van 1 juli 1903 werd hij overgeplaatst naar de Generale Staf en belast met de leiding over de IIe Afdeling (Generale Staf) van het Departement van Oorlog. Op 22 maart 1904 volgde zijn benoeming tot Luitenant-kolonel.
Op 16 oktober 1905 aanvaardde Luitenant-kolonel van den Brandeler het commando over de Kon. Mil. Academie. Op 1 mei 1908 werd hij bevorderd tot Kolonel en op 1 november 1910 volgde zijn benoeming tot Generaal-majoor. Na een kort ziekbed overleed Generaal-majoor van den Brandeler te Breda op 23 februari 1911. Meer dan 5 jaar was hij Gouverneur geweest van de Kon. Mil. Academie. Toen hij in 1910 Generaal-majoor werd was hij de jongste opperofficier van het Nederlandse leger. Waarschijnlijk zou hij spoedig de K.M.A. verlaten hebben om een hogere functie in het leger te aanvaarden, maar door zijn vrij plotseling overlijden werd een abrupt einde gemaakt aan zijn carrière.
Volgens de cadettenalmanak van 1912 was hij een ,,waardig vriend van zijne cadetten”. Warme toegenegenheid koesterde hij voor het korps en geen gelegenheid liet hij voorbijgaan om dit te uiten en ook, om dit metterdaad te tonen. Veel heeft hij gedaan om het aanzien van het korps te verhogen".
Toen op maandag 27 februari 1911 de begrafenis plaats vond stond het gehele Cadettenkorps aangetreden om een laatste groet te brengen aan hun Commandant.


 



STAAT VAN DIENST
1 sept 1873 - 5 juli 1876 Cadet op de Kon. Mil. Academie.
5 juli 1876 Benoemd tot 2e Luitenant en aangesteld bij het 7e Regiment Infanterie.
1878-1881 Leraar bij de Hoofdcursus te Kampen.
31 maart 1881 Bevorderd tot 1e Luitenant.
1 nov. 1881 - 1883 Gedetacheerd bij de 2e Afdeling van de Krijgsschool voor officieren te 's-Gravenhage.
1 nov. 1883 - 1 nov. 1884 Gedetacheerd bij het 2e Regiment Veldartillerie.
1885-1886 Werkzaam onder de bevelen van de Chef van de Generale Staf.
1886 Ingedeeld bij het 1e Bataljon van het 5e Regiment Infanterie.
1886 - 1895 Werkzaam bij de Commandant der Nieuwe Hollandse Waterlinie. Vanaf 1893 als Adjunct van de Staf.
20 febr. 1893 Bevorderd tot Kapitein van de Generale Staf.
nov. 1895 nov. 1900 Commandant van de dienst Militaire Verkenningen.
1901 Bij het 2e Bataljon van het Regiment Grenadiers en Bat. commandant bij het 2e Regiment Infanterie.
22 maart 1902 Bevorderd tot Majoor.
1 mei 1902 - 1 juli 1903 Overgeplaatst naar het 4e Regiment Infanterie en vandaar bij het Regiment Grenadiers en Jagers.
1 juli 1903 - 16 oktober 1905 Hoofd van de IIe Afdeling (Generale Staf) van het Departement van Oorlog.
22 maart 1904 Bevorderd tot Luitenant-kolonel.
16 oktober 1905 - 23 febr. 1911 Gouverneur van de Kon. Mil. Academie.
1 mei 1908 Bevorderd tot Kolonel.
1 nov. 1910 Bevorderd tot Generaal-majoor.
23 febr. 1911 Overleden te Breda.
   
   
   
   

 


 

ONDERSCHEIDINGEN
Ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw.
Officier in de Orde van Oranje Nassau.
Ereteken voor langdurige dienst als officier met het cijfer 30.
Zilveren huwelijksmedaille H.M. de Koningin.
Commandeur van de Militaire orde van Portugal.
Ridder van het Legioen van Eer (Frankrijk).
Ridder 3e klasse der orde van de Kroon (Pruissen).

 


 

Literatuur:
Steyn, G. van, Gedenkboek der Kon. Mil. Academie, 1828-1928. 1928.
Naam- en ranglijst der officieren, 1877-1911.
Cadettenalmanak, 1919

 

 


 

Meer dan vijf jaren lang was hij Gouverneur   geweest van de Koninklijke Militaire Academie. Tot ons gekomen als Overste , was hij opgeklommen tot den rang van Genaraal-Majoor. Ieder begreep wel , dat we hem niet lang meer als Chef in ons midden zouden zien . .
Maar dat we heul zóó zouden moeten verliezen Hij was toch nog in de volle kracht van het leven , de jongste   opperofficier van het Nederlandsche Leger! Waren niet zijn forsche, breede gestalte, zijn flink-militaire houding, zijn vriendelijke oogopslag, zijn onverpoosde opgewekte toewijding en nauw gezette ijver waarborgen voor een krachtig gestel, dat nog lang de stormen des levens zou kunnen weerstaan? Was voor hem nog niet een schoone toekomst weggelegd?  't Is waar, sinds eenigen tijd sloop ziekte wel eens een enkele maal binnen : maar 't  was winter en telkens zagen we Onzen Gouverneur weer als van ouds . . . en wie denkt dan aan de broosheid van menschenbestaan ? . . .
Een heel kort ziekbed : enkele lange dagen van groote spanning en töch nog niet van angst . . . en toen kwam het 't onverbiddelijke , het onherstelbare! In den laten avond van den 23sten Februari werd het ons medegedeeld door den Eerste-officier? dat onze Gouverneur was heengegaan. Een beklemmende stilte lag over het groote Academie- gebouw ; we bespeurden den wiekslag van den Dood meer nabij dan de meesten onzen ooit 't gevoeld hadden : het einde was gekomen en daar- mede was alle hoop gevloden. Ontrukt was hij aan zijn gezin , aan zijn vele vrienden en vereerders , ontrukt ook aan ons. We hadden véél verloren , méér verloren dan een hooggeplaatsten militairen chef . . . we voelden een leegte , die niet licht zou kunnen worden aangevuld.
Want Generaal van den Brandeler was een waarachtig vriend van zijne cadetten. Warme toegenegenheid koesterde hij voor ons Korps en geen gelegenheid liet hij voorbijgaan , om dat te uiten en OOk Om dat metterdaad te toonen. Veel, en velerlei heeft hij gedaan. Om het aanzien van ons Korps te verhoogen , ons aan te moedigen : op te wekken en ons te doordringen van een goeden en opgewekten korpsgeest. Hij leefde met Ons mede , stelde in alles belang en leende altijd welwillend het oor aan wie bij hem kwamen met hunne bezwaren Of wenschen. rachtig en doortastend , waar het noodig mocht zijn , handelde hij immer edel en humaan en voor ieder had hij gaarne een vriendelijk woord Van hem ging inderdaad uit de vaderlijke welwillendheid , die den Chef het vertrouwen en de toewijding doet winnen , welke de beste waal-borgen zijn voor de ware gehoorzaamheid van de ondergeschikten.
De militaire loopbaan van Generaal van den Brandeler is zeer voorspoedig geweest ; een kort overzicht daarvan is hier zeker wel op zijn plaats.
Jhr Louis Christiaan van den Brandeler werd den 24sten Juni 1855 te Haarlem geboren , trad 1 September 1873 in militairen dienst als cadet bij de Koninklijke Militaire Academie en werd 5 Juli 1876 benoemd tot Tweede-Luitenant bij het 7de Regiment Infanterie. Van 1878 tot 1881 was hij werkzaam als leeraar aan den Hoofdcusus te Kampen Vervolgens werd hij van 1881 tot 1883 gedetacheerd bij de IIe Afdeeling van de Krijgsschool te 's-Gravenhage , na op 31 Maart 1881 tot Eertse-Luitenant te zijn bevorderd.
Van 1 November 1883 tot 1 November 1884 gedetacheerd bij het 2de Regiment Veldartillerie , werd hij tot 1 November 1885 werkzaam gesteld onder de bevelen van den Chef van den Generalen Staf , om daarna den dienst bij het Wapen te gaan hervatten en wel bij het 5de Regiment Infanterie.
Reeds in 1886 werd de toenmalige Eerste-Luitenant van den Brandeler werkzaam gesteld onder de bevelen van den Commandant der Nieuwe Hollandse Waterlinie Op 20 Februari 1893 volgde zijne benoeming tot Kapitein van den Generalen Staf , adjunct van den   Chef van den Staf in genoemde Linie , terwijl hij van 1 November 1895 tot einde November 1900 de Directie voerde van de Militaire Verkenningen : bij het nederleggen van welke betrekking hij eene bijzondere tevredenheidsbetuiging van den Minister van Oorlog ontving.
Tot einde December 1901 diende de Kapitein van den Brandeler bij het Regiment Grenadiers en Jagers, om daarna belast te worden met het bevel over een Bataljon van het 2de Regiment Infanterie ; den 22sten Maart 1902 werd hij bevorderd tot Majoor.
In dien rang werd Majoor van den Brandeler op 1 Mei 1902 overgeplaatst bij het 4de Regiment Infanterie en vandaar bij het Regiment Grenadiers en Jagers. Met ingang van 1 Juli 1903 Overgeplaatst bij den Generalen Staf , werd hij bestemd tot Hoofd der IIe Afdeeling van het Departement van Oorlog.
Op 22 Maart 1904 volgde zijn benoeming tot Luitenant-Kolonel  Op den 16den Oktober 1905 aanvaardde Luitenant- Kononel van den Brandeler de betrekking van Gouverneur der Koninklijke Militaire Academie; met ingang van 1 Mei 1908 werd hij benoemd tot Kolonel ; 1 November 1910 volgde zijne benoeming tot Generaal-Majoor.
Gedurende zijne militaire loopbaan werden hem verleend : behalve het onderscheidingsteeken voor langduriger dienst als officier, hei Ridderkruis van de Orde van den Nederlandschen Leeuw? het Ridder- en het Officierskruis in de Orde van Oranje.
Nassau , de Zilveren Medaille ter herinnering aan het Huwelijk van H.M. de Koningin? het Ridderkruis 3de klasse in de Koninklijke Kroonorde van Pruisen en het Ofïicierskruis van het Legioen van Eer.
De nagedachtenis van Generaal van den Brandeler blijft bij zeer velen in trouwe herinnering bewaard; de Koninklijke Militaire Academie gedenkt hem met groote dankbaarheid. Zijn voorbeeld îs een aansporing en eene bezieling hij heeft niet tevergeefs geleefd!

Gouverneur Sabron

Generaal-majoor der Infanterie F.H.A. Sabron
Gouverneur der KMA van 1900 - 1905.

 Gouverneur Sabron

 

Voorganger
J.T.T.C. van Dam van Isselt
Overzicht Gouverneurs Opvolger
Jhr. L.C. van den Brandeler

 

Frederik Henri Alexander Sabron werd op 17 mei 1849 te Utrecht geboren, bezocht de Middelbare School te Schoonhoven. Werd op 12 juli 1866 als cadet bij het wapen der infanterie toegelaten tot de Kon. Mil. Academie en volgde de opleiding in de periode 1866-1870.
Toen hij op 18 Juli 1870 de officiersrang bereikte werd hij ingedeeld bij het 6e Regiment Infanterie te Breda.
Hij had het geluk daar samen te werken met de 1e Luitenant A. E. van der Heide, in wie hij een uitstekend mentor vond. Daar hij bovendien veel aanleg had en beschikte over een sterke wilskracht en een goed verstand zou zijn studie veel resultaat opleveren.
In de loop der jaren ontwikkelde Sabron zich dan ook tot een der beste officieren van het Nederlandse leger en volgens zijn eigen getuigenis had hij voor zijn vorming ook zeer veel te danken aan Luitenant-generaal A. Kool, de latere Commandant van het Veldleger.  Na 2 jaar troependienst werd hij op 29 november 1872 als officier van politie geplaatst op de Kon. Mil. Academie en deze functie zou hij blijven uitoefenen tot november 1875.
Na met goed gevolg examen te hebben gedaan voor de toenmalige Krijgsschool voor officieren te Breda, volgde hij aldaar de opleiding tot 1878, waarna hem op 1 mei 1878 het brevet voor stafbekwaamheid werd uitgereikt. Tijdens de detachering aan de Krijgsschool werd hij op 25 december 1876 bevorderd tot 1e Luitenant der Infanterie. In mei 1878 werd hij weer teruggeplaatst bij het 3e Bataljon van het 6e Regiment Infanterie te Breda.
Op 1 april 1879 werd hij tewerkgesteld op het Bureau van de Chef van de Generale Staf. In oktober 1880 werd hij als adjudant toegevoegd aan de Bataljonscommandant van het 4e Bataljon van het 6e Regiment Infanterie en hier zou hij blijven tot juli 1884.
Op 8 juli 1884 werd hij bij keuze bevorderd tot Kapitein en zijn bijzondere verdiensten werden toen reeds erkend, omdat hij bijna 150 landgenoten voorbijging. Hij werd toen geplaatst bij het 4e Bataljon van het 4e Regiment Infanterie te Leiden. Op 15 juli 1886 werd hij overgeplaatst naar de Generale Staf en toegevoegd aan de Chef van de Generale Staf, Luitenant-generaal J. M. van der Star, terwijl hij van 1888 tot 1895 als Kapitein-adjudant was toegevoegd aan de Minister van Oorlog.
Op 14 februari 1895 werd hij bevorderd tot Majoor van de Generale Staf en benoemd tot Hoofd van de IIe Afdeling (Generale Staf) van het Departement van Oorlog.
Op 5 september 1898 werd hij bevorderd tot Luitenant-kolonel van de Generale Staf en in dat jaar werd hij benoemd tot Commandant van het 2e Bataljon van het 4e Regiment Infanterie te Leiden. Niet voor lange tijd echter, want met ingang van 16 oktober 1900 werd hij benoemd tot Gouverneur van de Kon. Mil. Academie. In november 1901 werd hij bevorderd tot Kolonel en op 16 oktober 1903 werd hij benoemd tot Adjudant in buitengewone dienst van H. M. de Koningin.
Op 1 mei 1904 werd hij bevorderd tot Generaal-majoor bij het wapen der infanterie en op 16 oktober 1905 werd hij op eervolle wijze ontheven van zijn commando als Gouverneur van de Kon. Mil. Academie, omdat hij benoemd werd tot Inspecteur van het Militaire Onderwijs.
Dit commando bekleedde hij tot 1 oktober 1907, toen hij werd bevorderd tot Luitenant-generaal en tevens werd benoemd tot Chef van de Generale Staf, in een periode dat Ridder van Rappard juist enkele maanden Minister van Oorlog was.
Maar reeds in het begin van 1908 volgde zijn benoeming tot Minister van Oorlog in het toen optredende Kabinet Heemskerk, als Chef van de Generale Staf werd hij opgevolgd door Generaal-majoor F. N.Thiange.
Het is Generaal Sabron gelukt gedurende zijn Ministerschap, dat wegens ziekte van de bewindsman van 4 februari 1909 tot 4 mei 1909 werd waargenomen door de Minister van Marine J. Wentholt, het z.g.n tweeploegenstelsel bij de infanterie in te voeren. Tevens werd tijdens zijn bewind bij K.B. van 16 april 1908, no. 79 een Raad van Defensie ingesteld, een college, waarin de Chef van de Generale Staf ambtshalve zitting heeft en dat zich in verschillende vormen tot in de huidige tijd heeft weten te handhaven.
Vanwege zijn wankele gezondheid zag hij zich op 27 juli 1909 genoodzaakt aan H.M, de Koningin ontslag uit zijn ambt te verzoeken, Omdat de taak hem te zwaar was. Het ontslag werd hem op de meest eervolle wijze verleend, maar toen Generaal-majoor Thiange op 6 januari 1910 overleed was Sabron in zoverre hersteld, dat hij met ingang van 1 februari 1910 voor de tweede maal ging optreden als Chef van de Generale Staf.
Zijn gezondheidstoestand liet echter spoedig te wensen over en daar- door zag hij zich gedwongen op 1 juli 1910 pensioen aan te vragen en om dezelfde reden kon hij in 1913 ook geen bevestigend antwoord geven toen hem werd gevraagd lid te worden van de Raad van State.
Generaal-majoor Sabron heeft vele boeken op zijn naam staan. Hij had een voorliefde voor onderwerpen, die verband hielden met de Napoleontische periode, waarover hij een 5-tal boeken publiceerde.
Behalve een boek, dat de geschiedenis van de M.W.O. weergeeft, schreef hij nog tal van artikelen over krijgsgeschiedkundige, krijgskundige en militair-rechtelijke onderwerpen.
Hij was Adjudant in buitengewone dienst van H.M. de Koningin, Commandeur in de orde van de Nederlandse Leeuw en drager van verschillende buitenlandse ridderorden.

 



STAAT VAN DIENST
12 juli 1866 - 18 juli 1870 Cadet op de Kon. Mil. Academie te Breda.
18 juli 1870 Benoemd tot 2e Luitenant der Infanterie en geplaatst bij het 6e Regiment Infanterie te Breda.
29 nov. 1872 - 1 nov. 1875 Officier van politie op de Kon. Mil. Academie.
1 nov. 1875 - 1 mei 1878 Gedetacheerd op de Krijgsschool voor officieren te Breda.
25 dec. 1876 Bevorderd tot 1e Luitenant der Infanterie.
1 mei 1878 Geplaatst bij het 3e Bataljon van hot 6e Regiment Infanterie.
1 april 1879 Tewerkgesteld op het Bureau van de Chef van de Generale Staf.
1 oktober 1880 - 8 juli 1884 Als adjudant toegevoegd aan de Bataljonscommandant van het 4e Bataljon van het 6e Regiment Infanterie.
8 juli 1884 Bevorderd tot Kapitein.
8 juli 1884 -  1886 Geplaatst bij het 4e Bataljon van het 4e Regiment Infanterie te Leiden.
15 juli 1886 Overgeplaatst naar de Generale Staf.
15 maart 1888 - 1895 Als Kapitein-adjudant toegevoegd aan de Minister van Oorlog.
14 febr. 1895 Bevorderd tot Majoor van de Generale Staf.
14 febr. 1895 - 1898 Hoofd van de IIe Afdeling (Generale Staf) van het Departement van Oorlog.
5 sept 1898 enoemd tot Luitenant-kolonel van de Generale Staf en benoemd tot Commandant van het 2e Bat. van het 4e Regiment Infanterie te Leiden.
16 oktober 1900 - 16 oktober 1905  Gouverneur van de Kon. Mil. Academie.
19 nov. 1901  Bevorderd tot Kolonel bij het wapen der infanterie.
16 oktober 1903 Benoemd tot Adjudant in buitengewone dienst van H.M. de Koningin.
1 mei 1904 Bevorderd tot Generaal-majoor bij het wapen der Infanterie. 
16 oktober 1905 - 1 oktober 1907 Inspecteur van het Militaire Onderwijs. 
1 oktober 1907 - 11   febr. 1908 Bevorderd tot Luitenant-generaal en benoemd tot Chef van de Generale Staf.
11 febr. 1908 - 27 juli 1909 Minister van Oorlog.
1 febr. 1910 - 1 juli 1910 Chef van de Generale Staf.
3 mei 1916 Overleden te Utrecht.

 


 

ONDERSCHEIDINGEN
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw

Ereteken voor langdurige dienst als officier met het cijfer 35.
Ridder 3e klasse in de orde van de Kroon (Pruisen).
Ridder van het Legioen van Eer (Frankrijk).
Ridder 2e klasse der orde van St. Stanislaus (Rusland).
Officier de I'instruction publique (Frankrijk).

 


 

Literatuur:
Steyn, G. van, Gedenkboek der Kon. Mil. Academie, 1828-1928. 1928.
Eigen Haard, 27 mei 1916.
Naam- en ranglijst der officieren, 1871-1910.
Cadettenalmanak, 1867-1870. 1908.
Honderdvijftig jaar Generale Staf, 1814-1964. 1964.

 

 

Gouverneur van Pesch

Kolonel der Artillerie C.L. van Pesch
Gouverneur der KMA van 1894 - 1898

 Gouverneur Pesch

 

Voorganger
G.F.W. Borel
Overzicht Gouverneurs Opvolger
J.T.T.C. van Dam van Isselt

 

Op 5 september 1856, op 15-jarige leeftijd kwam hij op de K.M.A. te Breda, waar hij de opleiding volgde van cadet bij het wapen der artillerie. Omdat hij zijn 4-jarige opleiding had voltooid werd hij bij Koninklijk Besluit van 1 juli 1860: no. 85 benoemd tot 2e Luitenant der artillerie en geplaatst bij de 1e Depot compagnie van het 3e Regiment Vestingartillerie te Nijmegen.
In de rang van 2e Luitenant werd hij in 1861 gedetacheerd bij de Pyrotechnische School, waar hij in 1863 tot 1e Luitenant werd bevorderd.
Van de Pyrotechnische School werd hij gedetacheerd bij de Geweer winkel te Delft en na aldaar een drietal jaren te hebben vertoefd, werd hij in 1867 overgeplaatst naar de Staf van het Wapen der artillerie, teneinde tewerkgesteld te worden bij de Inspectie der draagbare wapenen, waar hij als opzichter belast was met het toezicht op de “opstellers en mallenmakers''.
In 1868 werd hij administratief overgeplaatst naar het 2e Regiment Vestingartillerie. Gelijktijdig werd hij echter tewerkgesteld op de Kon. Mil. Academie te Breda, waar hij vanaf 1 september 1889 werd aangesteld tot Luitenant-adjudant van de toenmalige Gouverneur Kolonel Engelvaart. In 1873 werd hij bevorderd tot Kapitein en eindigde zijn functie van Luitenant-adjudant.
Hij bleef echter op de Kon. Mil. Academie werkzaam en wel van 1873-1878 als leraar ,,voor de wetenschap en de oefeningen der artillerie in haar gehelen omvang", en van 1878-1887 als Hoofd onder wijs in de artilleriewetenschappen. 
In juli 1887 werd hij bevorderd tot Majoor der artillerie en benoemd tot Hoofd van de Werkplaatsen der draagbare wapenen te Delft, tevens Inspecteur der draagbare wapenen.
Van 1890 tot 1892 voerde hij het commando over het korps Pontonniers te Dordrecht dat toentertijd bij de Artillerie was ingedeeld. In april 1892 werd hij bevorderd tot Luitenant-kolonel der artillerie en benoemd tot Hoofd van de constructiewerkplaatsen. In dat jaar ontving hij van H.M. de Koningin-Weduwe Regentes het Ridderkruis van de Nederlandse Leeuw.
Op 27 februari 1894 werd hij benoemd tot Gouverneur van de Kon. Mil. Academie te Breda, waarbij hij tot 1 september 1894 tevens de functie van 1e officier vervulde. In augustus 1895 volgde zijn bevordering tot Kolonel der artillerie.
Vier jaar lang was Kolonel van Pesch als Gouverneur   werkzaam en in die periode was hij onvermoeid bezig om voor   de belangen van de K.M.A. te werken.
Op 30 juli 1898 werd hij op zijn verzoek - op de meest eervolle wijze - uit zijn functie ontheven en op non-activiteit gesteld. Een kortstondige ziekte maakte een einde aan zijn werkzaam leven en hij overleed te Utrecht op 18 september 1898. Zijn veelomvattende werkkracht blijkt onder meer uit het grote aantal leerboeken die hij in een periode van 25 jaar heeft geschreven. Vele malen was hij ook een geacht spreker voor de Vereniging ter beoefening van de krijgswetenschap en tevens vervulde hij nog een groot aantal jaren de veelomvattende taak van Hoofdredacteur van de Militaire Spectator.
Van zijn 38 dienstjaren als officier heeft Kolonel van Pesch 22 jaren dienst verricht op de Kon. Mil. Academie.

 



 

STAAT VAN DIENST
1 juli 1860 Benoemd tot 2e Luitenant der artillerie en tewerkgesteld bij de 1e Depot compagnie van het 3e Regiment Vesting artillerie.
1861-1863 Werkzaam bij de Pyrotechnische School.
24 mei 1863 Bevorderd tot 1e Luitenant en gedetacheerd als opzichter bij de Geweerwinkel te Delft.
1867-1868 Werkzaam bij de Inspectie der draagbare wapens te Delft.
1868 Administratief overgeplaatst naar het 2e Regiment Vestingartillerie en vervolgens tewerkgesteld op de K.M.A. te Breda.
1 sept. 1869 - 1 sept. 1873 Adjudant van de Gouverneur der K.M.A.
23 juli 1873  Kapitein der Artillerie
1 sept. 1873 – 1878 Leraar in de artilleriewetenschappen aan de K.M.A.
1878 - 8 juli 1887  Hoofd onderwijs in de artilleriewetenschappen aan de K.M.A.
 8 juli 1887  Bevorderd tot Majoor der artillerie en benoemd tot Hoofd van de werkplaatsen der draagbare wapens, tevens Inspecteur der draagbare wapens.
1890-1892 Commandant van het Korps Pontonniers te Dordrecht.
 5 april 1892  Luitenant-kolonel der artillerie en benoemd tot Hoofd van de Constructiewerkplaats te Delft.
27 febr. 1894 - 30 juli 1898  Gouverneur der Kon. Mil. Academie te Breda, tevens van 27-2-1894 tot 30 juli 1894 Eerste officier aan de K.M.A.
21 aug. 1895  Kolonel der artillerie.
30 juli 1898  Op non activiteit.
 18 sept 1898  Overleden te Utrecht.
   
   

 


 

 

ONDERSCHEIDINGEN
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw
Ereteken voor langdurige dienst als officier met het cijfer 35.

 


 

 

Literatuur:
Cadettenalmanak 1892-1899.
Jaarboekje der Kon. Mil. Academie 1853-1861.
Naam- en ranglijst der officieren 1857-1899.
Steyn, G. van, Gedenkboek K.M.A. 1828-1928. 1928.

 

Gouverneur Simon

Kolonel der Artillerie M.C.F. Simon.
Gouverneur der KMA van 1878 - 1883.
Gouverneur Simon

 

Voorganger
N. van Willes
Overzicht Gouverneurs Opvolger
J.C.C. den Beer Portugaal

 

M.C.F. Simon werd geboren in het jaar 1825 en na een opleiding aan de K.M.A. te hebben gevolgd als cadet bij het Wapen de Artillerie werd hij in 1845 benoemd tot 2e Luitenant. Na zijn benoeming tot officier werd hij geplaatst bij de 10e Compagnie van het 2e Regiment Artillerie te Bergen op Zoom, terwijl hij een jaar later werd geplaatst bij de 13e Compagnie van hetzelfde Regiment. In 1848 werd Simon geplaatst bij de 6e Compagnie van het 2e Regiment Vesting-artillerie eveneens te Bergen op Zoom.
 Nadat Simon in 1851 werd gedetacheerd bij de Applicatieschool te Breda volgde in 1852 zijn overplaatsing naar de 3e Compagnie van het 1e Regiment Vestingartillerie te Den Helder voor zeer korte tijd weliswaar, want tegen het einde van het jaar 1852 werd de 2e Luitenant Simon overgeplaatst naar de Koninklijke Militaire Academie voor de zee- en landmacht, waar hij de functie ging bekleden van leraar in de wiskunde.
Luitenant Simon, die in 1853 tot 1e Luitenant en in 1863 tot Kapitein werd bevorderd, zou de functie van wiskundeleraar blijven uitoefenen tot het jaar 1863 toen hij werd overgeplaatst naar het 3e Regiment Vestingartillerie. Daar werd hij in 1866 aangesteld tot Kapitein-adjudant van de Regimentscommandant.
Op 8 april 1867 werd Simon voor de tweede maal naar de Koninklijke Militaire Academie overgeplaatst, waar hem aanvankelijk de functie werd opgedragen van lector 1e klasse in de wis- en natuurkunde, terwijl hij later werd belast met het toezicht op het gehele onderwijs in de wiskunde.
Zijn verblijf op de K.M.A. duurde tot september 1872, toen hij werd overgeplaatst naar het 1e Regiment Vestingartillerie te Delft, waar hij als Kapitein voor speciale diensten tevens werd belast met de verdere opleiding van de cadetten der Genie en Artillerie die in Delft verbleven. Dit mag dan wel vreemd klinken maar een en ander was het gevolg van de Wet van 17 juli 1869, Staatsblad 141, ter herziening van het onderwijs aan de Koninklijke Militaire Academie, waarbij als overgangsmaatregel de cadetten van de Artillerie en Genie, die op 1 september 1872   aan de K.M.A. verbleven, werden overgeplaatst naar het te Regiment Artillerie te Delft ter voortzetting van hun studies en tot verdere opleiding tot officier.

Op deze wijze was Simon van 1872-1874 belast met het algemeen toezicht op de te Delft gedetacheerde cadetten en op het gehele onderwijs in de wiskunde.
In 1873 werd Kapitein Simon belast met het Voorzitterschap van de Commissie van proefneming te 's-Gravenhage.
In 1877 werd hij voor de derde maal op de K.M.A. geplaatst en belast met de ,,leiding der studiën'' in de functie van ,,Directeur der studiën een benaming die vanaf het jaar 1869 voor enige tijd in de plaats was gekomen van de titel Commandant (1e Officier).
Na het vertrek van Generaal-majoor van Willes als Gouverneur, ten gevolge diens benoeming tot Inspecteur der Infanterie, had Majoor Simon tijdelijk diens werkzaamheden waargenomen, maar reeds een maand na diens vertrek werd Majoor Simon benoemd tot Gouverneur van de Koninklijke Militaire Academie. Zijn benoeming werd, getuige de Cadettenalmanak van 1879 door de cadetten met veel instemming begroet. Dat hij in de rang van Majoor tot deze belangrijke functie werd uitverkozen, bewees wel dat men de kwaliteiten van deze talentvolle officier op hoge prijs stelde.
In april 1878 werd de nieuwe Gouverneur van de K.M.A. bevorderd tot Luitenant-kolonel van de Artillerie en in 1882 volgde zijn benoeming tot kolonel.
Geheel onverwacht werd tijdens het gezamenlijk appel van 16 maart 1883 aan de cadetten voorgelezen, dat Kolonel Simon tengevolge van een ernstige ziekte gedwongen was de leiding over de Academie tijdelijk over te dragen aan de toenmalige Eerste Officier, Luitenant-kolonel A. Pompe.
Zijn ziekte was echter van dien aard dat Kolonel Simon in augustus 1833 op non-activiteit werd gesteld en eervol van zijn commando over de K.M.A. werd ontheven.
In 1885 werd Kolonel Simon gepensioneerd en in 1892 werd aan deze verdienstelijke officier nog de rang van Generaal-majoor der Artillerie toegekend.
Generaal-majoor Simon overleed te 's-Gravenhage op 78-jariqe leeftijd en was de eerste Gouverneur van de K.M.A. die zijn opleiding tot officier aan de K.M.A. had voltooid.
 

 


 

STAAT VAN DIENST
23 juni 1845 2e Luitenant der Artillerie en geplaatst bij
de 10e Compagnie van het 2e Regiment Artillerie te Bergen op Zoom.
 1846 In 1846 werd hij geplaatst bij de 13e Compagnie van hetzelfde Regiment. Sedert 1848 geplaatst bij de 6e Compagnie van het 2e Regiment Vestingartillerie
te Bergen op Zoom.
1852 Geplaatst bij de 3e Compagnie van het 1e Regiment Vestingartillerie te Den Helder.
17 dec. 1852 - 27 juli 1863 Geplaatst op de K.M.A. als leraar in de wiskunde.
24 mei 1853 1e Luitenant der Artillerie.
31 mei 1863 Kapitein der Artillerie.
 27 juli 1863  Overgeplaatst naar het 3e Regiment Vestingsartillerie.
 8 april 1867  Lector 1e klasse in de wis- en natuurkunde.
 1 september 1872  Belast met het toezicht op het onderwijs in de wiskunde
 1 september 1872 Naar het 1e regiment Vestingsartillerie te Delft
 1 september 1972- 15 mei 1874 Belast met het toezicht op het onderwijs in de wiskunde van de te Delft gedetacheerde cadetten
 1873  Voorzitter van de proefnemingen te 's-Gravenhage
 6 mei 1874  Majoor der Artillerie
 1 augustus 1877  Geplaatst op de K.M.A. als Directeur der Studiën
 20 maart 1878- 26 augustus 1883  Gouverneur van de Koninklijke Militaire Academie
 26 augustus 1883  Op non-activiteit
 1885 Met pensioen
 1892  Generaal-majoor der Artillerie b.d.
 9 juli 1903  Overleden te 's-Gravenhage

 


 

ONDERSCHEIDINGEN
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw
Ereteken voor langdurige dienst als officier cijfer 35.

 

 

 


 

 

Steyn, G. van. Gedenkboek der Koninklijke Militaire Academie, 1828-1929. 1929.
Naam- Ranglijst der Officieren 1840 e.v. - 1890
Bas, F. Het eeuwfeest van de Genarale Staf. 1914.
Engelbronner, E. d'. Negentig jaar stafschool, krijgsschool en Hogere Krijgsschool 1868- 1958. 1960
Cadettenalmanak 1872. Cadettenalmanak 1879-1884


 

 

Order over een verbod tot roken op de Uitspanningszaal